De schaamteloosheid voorbij (een drieluik)

1
Het aangezicht is opgemaakt volgens
de dresscode van een stoet der bacchanten
en het schreeuwt, beneveld en ontbloot in
het harnas van een zomeraanbieding.

De zin van verveling wordt versnipperd
tot de hoon van de onverschilligen
en gejoel van uitbundigheid ontsnapt
bij elke draai aan het rad van fortuin.

Er is helemaal niets meer aan te doen,
anders dan staren naar ontsnapping
en anders dan het beschamend vluchten
voor dit uitzichtloze scenario.

Kom daarom mijn vriend, kom mee, weg van hier
en spoel je kater weg met de grimas
van een gekwelde omdat je je hebt
laten verleiden door jouw gulzigheid.

Mijn god waarom heb je jouw kelk dan ook
bodemloos laten vullen met het gif
van degeen die jou hebben meegesleurd
naar hun huis dat geen andere taal duldt?

2
Aan de kust van furore spoelen nu
alleen geruchten aan en wordt er geen
idylle meer toegelaten, hooguit
een verre roep van wanhoop overzee.

Hoop is niet meer dan wat letters in
leeggedronken glazen misère om
drijvend de overkant te halen en
waarover nobelen zich ontfermen.

De eersten die wij naar dat paradijs
sturen laten zich daar in brons gieten,
passanten die edelmoedigen ginds
hun nederigheid willen bijbrengen.

We geven ons erewoord als aflaat
opdat we onszelf zullen vergeven,
de boetedoening op afstand. Maar we
zouden beter moeten weten, nietwaar?

We geven bedienden fooien om ons
niet in verlegenheid te brengen en
alle schaamte te laten zinken in
de zee die toch al vol zit met wrakken.

3
Ooit werd het haardvuur aangestoken en
werden er bloemen in vazen gedaan,
waren er verhalen tot in de nacht,
deelden we het brood met onze gasten.

Maar we gingen het huis uit, de straat op,
om te kijken naar hen die ooit onze
huisgenoten waren, de ontstemden.
Vergaten de gasten en ons respect.

Voor we het wisten liepen we achter
grote beloften aan. Dat de wereld
om ons draait. Dat hoe dan ook voor ons
Pandora’s doos geopend kon worden.

We sluiten ons op en van elkaar af
nu de hebzucht als witte stier rond briest,
ons de Fenicische prinses, die ons
allen bond, in al zijn woede afpakt.

De huiskamer is leeg, het vuur gedoofd,
de bloemen verdord en de ramen dicht.
Het lijkt alsof we uit bittere nood
naar onze eigen kamers zijn gevlucht.

Spannum en Harderwijk, juli 2020.

Het begin van de eerste strofe van de het derde gedicht van het drieluik is een verwijzing naar de song ‘Our House’ van Crosby, Stills, Nash & Young.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s