Het geluk plakt nooit zo lang op het voorhoofd

‘Waar ben ik?’, vroeg de overgeleverde.
‘Welkom hier, in het niets’, antwoordde iemand.
Er was euforie in de uitslaapkamer,
het voorportaal naar de grote finale
(de overgeleverde dat ben ik zelf,
die verdwenen is in een vergelijkbaar,
gelijklopend en complementair bestaan).
‘Heeft u wel eens over het niets vernomen?’
‘Weet u wat het Japanse karakter is
voor het niets?’ ‘Mu’ zei ik overgeleverd.
Ik wil deze slaap, deze surrogate
slaap, die schaduwen op onverteerbare
muren in mijn hoofd had gekrast, ontvluchten.
Het niets dat werd aangedragen, bleef liggen.

Ik duik langzaam een echte slaap in en hoor
nu het ritmisch suizen van scherpe seizen
door het groene gras, terwijl ik daarop lig.
Ik heb dorst en ik zie een hand een drijvend
groen vel in een sloot traag uit elkaar vegen
en een grote houten klomp vult zich met wat
koud water om de overgeleverde,
ik dus, de droogte te laten wegspoelen.
Ik laat het water gulzig binnenkomen
en eindelijk kan ik om mij heen kijken.
Nachtelijke schepsels omhullen de sloot
en ik zie ze dansen boven het water.
Uit het niets briest een paard achter gordijnen
met dansende rituelen en buigt af
en toe het hoofd om de aarde te ruiken,
om op koers te blijven. Het trekt een rijtuig
mee en de koetsier bezweert met klanken een
nachtelijk onheil en het paard lacht. Ik vraag
de koetsier hoe laat het is. Hij is alert,
de koetsier, roept ‘klokslag twaalf’ en laat zijn zweep
de woorden de wereld in knallen. Het paard
steigert en trekt razendsnel het rijtuig voort.

Ik volg het enkelspan naar een triomfboog.
Achter de boog staat het paard met rijtuig klaar.
De koetsier is van zijn bok afgestapt en
houdt de deur van het rijtuig voor mij open.
Er klinkt gejuich, maar ik zie niemand. Ik stap
het rijtuig in, ga zitten en kijk naar een
scherm waarop levend en wel twee ogen die
mij indringend aankijken. Het rijtuig komt
in beweging, hortend en stotend, en mijn
verwondering deint op het ritme van een
salvo aan vragen die voor mij zijn bedoeld:
‘wie is toch de overgeleverde en
wie is de verlosser, wat verdwijnt er als
u daar te dichtbij bent gekomen, wat blijft
uit het verleden na smeulen, wie fluistert
u gebeden toe, hoe smaakt verboden fruit,
wat zal uw reis doorkruisen, bestaat toeval?’
Ik laat de vragen lopen en houd daarop
de antwoorden voor mijzelf en de ogen
kijken me heel vertederend aan. Het zijn
de ogen van mijn vader en hoor ik nu
ook de lach van mijn moeder voorbijkomen?

De koetsier roept, we staan nu stil, hij opent
de deur en ik daal af in badend wit licht
midden op een groot ovaal plein. Gevels uit
de oudheid omringen mij en het plein is
bedekt met stille onschuld. Op de witte
maagdelijkheid is niemand verder te zien.
Er staat een tafel met de weelderigheid
van het leven met plaats voor maar één persoon.
Ik ga zitten. Zonder verbazing. Het paard,
de koetsier en het rijtuig zijn verdwenen.
Ik hoor wolvengehuil en ik zie alle
deuren gesloten. Ik zie uit de afvoer
van het verleden woede stomen. Mijn angst
klopt zwaar in mijn hoofd en mijn hart droogt mij uit.
Ik wil eten. Ik wil drinken. Maar elke
beweging die ik maak laat de omgeving
doen stilstaan en blikken achter gesloten
ramen zijn op mij gericht. De stilte luidt
onheil in. Er daalt een enorme slaap neer.

Welk visioen wordt opgediend op deze
tafel? Als dat zich eenmaal openbaart en
oevers het gestamp en gevloek van mijn angst
in banen leiden, weet ik ook niet waar de
bestemming ligt. Is dat van belang? Ik krijg
een verleden gerangschikt in dia’s. Een
landschap trekt als een lopende band aan mij
voorbij en ik ben telkens te laat om een
uitzicht eruit te moeten pikken in de
voorbijschietende razernij. Ik schik mij
in mijn lot. Ik heb nooit geweten dat die
een ritme heeft en zo waanzinnig snel gaat:
de hoorn van een woedende stier zwaaiend in
de kleurloze weide van mijn grote vrees,
het gehuil van wolven bij deuren die voor
mij zo meedogenloos werden dichtgedaan,
de gespreide armen van een verlosser,
de hoge toren die verdwijnt als ik die
te nabij kom en dicht bij zijn voeten sta,
de donkere lucht die als schimmige rook
uit het oude orakel blijft na smeulen,
de ronde muren van een kathedraal die
de echo van mijn smeekbede toefluistert,
het koortsige ontzag dat mijn loop vertraagt,
het gezang dat in monden bestorven ligt,
de zachte tong van lust die mijn reis doorkruist,
de zoete smaak van het verboden fruit en
de navel van de lang bewaarde oudheid.
Ineens heb ik alle antwoorden paraat.

Dit waren geen stillevens meer maar een film
die niet tot stilstand kon komen. En het is
ook zo weer weg. Ergens ver naar het Noorden,
waar een echo van licht onwankelbaar schijnt,
waar medeklinkers de klank willen dempen,
waar de toorn van geweten in luchten priemt,
waar ook het frisse fruit gulzig openspringt,
waar ook de melk mag worden opgetrokken,
waar goedbedoelde raad ergens naar toewijst,
waar dialogen in monden zijn gelegd,
waar devotie tussen kale muren galmt,
waar stilte sneller dan het zomerlicht gaat,
waar de slaap onder het avonddeken ligt,
waar een blik in de verte niet wordt verstoord,
waar ik langzamerhand naar toe zal lopen,
waar ik voor daglicht weer afscheid ga nemen.
Hoeveel overwinningen heb ik gedroomd
in mijn zegetocht die niemand zag? Ik draag
elke nederlaag als overwinningsvlag
onder triomfbogen binnen stadsmuren.

Buiten wacht een drafpaard ongezadeld op
een eerste sprong. Er is geen teugel om het
ongeschreven blad te laten vullen met
bevelen. En dus draait het paard zijn hoofd naar
de zon en klinkers dempen steigerende
en hitsige kloppen van de woedende
hoefijzers. Gelukkig vallen schaduwen
achter zijn draf. Uit een openstaande raam
zingt iemand ‘a love supreme’, ‘a love supreme’,
‘a love supreme’. Eerst fluisterend en dan hard,
mee hijgend in galop, alsof het paard er
afstand van neemt. Maar het paard tart elke wet
die we maar kunnen bedenken. Ineens slaat
het vleugels uit en vliegt naar de zon die brandt.
Overmoed valt ontvlambaar in de zwarte
toorn van de zee. Die trekt en duwt en spuwt zijn
woede op de kust van aangeslagen leed.

Vele ogenblikken later, dus lang na
het oplichten van de wereld, schuimbekken
paarden van Neptunes tegen de drempels
van de kust. Maar hoger dan de krijtrotsen
kunnen ze niet springen. Ze briezen met hun
grote wilde ogen en grommen met hun
bitloze monden. Ze schrapen stukken krijt
weg maar is het voldoende? Er zijn dagen
dat een regisseur zich afvraagt hoe lang dit
wordt herhaald en zijn de dagen niet meer dan
een flauw geknipper van ogen. Een close up
wordt niet toegelaten om erosie van
onnozele gedachten te fixeren.
Er wordt ook geen belichting getolereerd
in dagen van schemer. Elke poging is
fataal, het gedraaf sterft weg. Wat overblijft
is het suizen van de wind en het lichte
hijgen van ruwe en geslagen oevers.

Op het podium verschijnt van links naar rechts
een optocht van de antagonisten en
protagonisten aan de zijlijn buigen
hun hoofden. Voorlopig nog! Wat hadden we
anders voorgesteld? Want de wereld is in
de rui en ons uitzicht vertroebelt. En het
schoonmaken helpt niet want de zemen lap heeft
gaten. En waar gaten komen verschijnen
strepen. Strepen zo krom als parabolen.
In een rondgang langs een galerij met wat
steenbokken en maagden en calypso’s en
capriola’s ga ik door het vertier van
de hel. Suikerspinnen en zuurstokken zien
in mij een schietschijf. Kleine duivels hebben
hun drietand in de aanslag. Scherts en hoon zijn
een tonaal duo die spanning aankondigt.
Suspense is een schoonheid in aantocht. Ik draai
van de ene scene in de andere.
Het is als een maiden voyage van een schip,
dat het dok heeft verlaten, op weg gaat naar
een uitgestrektheid van een machtige zee,
in een fantasierijke, hoogvliegende
vrijheid. De toekomst deint weer en ik zoek het
geluk dat eens op mijn voorhoofd was geplakt.

Ik ben nog steeds overgeleverd aan de
tafel. Alles is onaangeroerd maar het
tafellaken is besmeurd met bloed. Van één
huis is een deur open, ik sta op, ren er
naar toe en ga naar binnen, de trap op naar
boven. Ik stap een vertrek binnen waarvan
een deur ontbreekt, loop naar het raam en open
deze en kijk uit op een paar tjilpende
boomtakken die mij verkoeling toewuiven.
‘We doen maar wat’, zegt de koetsier, die weer eens
is langsgekomen. Hem werd gevraagd wat hij
van het schilderij vindt dat prominent hangt
in een kamer zonder deur. Er ligt een vrouw
op een rots te staren over de golven
die nooit verdwijnen. Het moet ergens op een
Mediterraans eiland zijn, maar doet dat er
wat toe? De koetsier lijkt in de ban van het
zwarte haar en blauwe ogen van de nimf.
Ik zie veel mensen op pleinen en straten
lopen en ik wil ze waarschuwen voor de
schaduwen die ze niet zien. Ik val stil als
ik mijn mond opendoe. De menigte blijft
bewegen in hautaine onnozelheid.
Ik heb geen grip op het groter geheel. Het
leven wordt af en toe vooruitgeduwd, en
de sprong is niet genoeg om te verdwijnen.
Maar omdat ramen en deuren openstaan
en ik naar buiten kijk, neemt het leven mij
bij de hand. In de coulissen van een slaap.

De dag kortwiekt een ruwe nacht door zachte
handen en gefluister van mijn naam door de
omstanders die om mijn slaap heen zijn gaan staan.
Een ochtenddauw draagt verstild het getokkel
van een Shamisen. De terrasdeuren staan
open voor een typische meidag, windstil
in het groen. En er zijn stemmen vanuit de
grote weiden. Het lijkt wel of het leven
buiten op adem wil komen. Ook de zon
is zacht en schaduwen niet meer zo hard. De
straten zijn nog vroeg leeg en zo nu en dan
doorkruist een kat de weg naar het vergeten
doel of een aankomst uit de nocturne. Het
getokkel van Shamisen begeleidt een
licht geklop en traag gekraak op het hout van
een zwarte vleugel en vallende stenen
in klankschalen. Deze zondag bidt niet ruw
maar als een zachte bries met vrome woorden.
Ik wil niet denken aan de dag van morgen.
Ik wil deze dag verder uitrekken. Ik
wil deze dag straks opnieuw. Elk geluid is
een impuls. Toeval bestaat omdat het een
weg zoekt. En het maakt niet uit welke afslag
wordt genomen in dit landschap van stilte.
En tussen doffe en gedempte stemmen
blijft de dag liggen in een stilleven van
devotie, harmonie en elegantie.

Een naburig plein kondigt zich al aan als
Annemaria Koekoek. En kinderen
vragen of ze mogen overvaren maar
de uitkomst blijft in het ongewis. En daar
blijft het niet bij. Geluk is maar tijdelijk
en het blijft niet al te lang op het voorhoofd
geplakt. De grenzen van het speeldomein zijn
gevonden en belegen. Het leven is
niet maakbaar. Wij liggen aan de voeten van
de wereld. Maar hier, in dit deel, groeten ze
tenminste elkaar, maar wel tussen haakjes
en met ondoorgrondelijke terzijdes
Wij zijn in al onze eenzaamheid louter
door accolades bijeengehouden. Het
lijkt allemaal meer dan het is. Dan toch maar
losgelaten kijken. Dan ook maar de dorst
wegslikken. Dan maar het masseren van de
spot. Dan maar naar het museum van de lust.
Ik lees de teksten van anderen, alsof
het mijn teksten zijn. Althans teksten die ik
had willen schrijven, omdat ik ze herken.

We beginnen helemaal opnieuw en de
mis en scenes onder het spotlicht zijn nog
steeds hetzelfde. Het spel verandert niet en
spelregels zijn het vaste geweten in
uitgekookte scenario’s en scripts en
handelingsverlopen. De tijd maakt een schets
van zichzelf. Wanneer verlaten we onze
huizen met de strak geplamuurde gevels,
met de toegeknepen vensters en monddood
gesloten deuren? Wie ontdekte dan toch
de artefacten van het stille gedraaf
langs de paleizen van onverschilligheid?
In een processie volgen dan onnozel
de volgelingen in een voorgeschreven
cadans van links naar rechts, links, rechts, links, rechts naar
een laatste avondmaal. Alles is al eens
geschreven en voorgekauwd en ik teken
de verhaallijnen omdat ik wil dat ze
van mij moeten zijn en omdat ik ze als
enige herken. Wanneer worden deze
replica’s origineel? Ik kan mij geen
schaamteloosheid herinneren die zo wild
was dat gedachten eruit afdropen tot
mistroostige mededogen. Daarachter,
achter mijn verbeelding, in een verdekte
opstelling, daar richt de zon brutaal als een
scherpschutter de pijlen op het geweeklaag.
Als het regenwater verdampt hervullen
kinderstemmen de uitgelichte pleinen.

Ik heb een tijd overgeslagen ofwel
de klok stond stil. Er waren anekdotes
voorbijgekomen, maar er was geen verslag
gemaakt. Dus moeten alle verhalen één
voor één worden afgepeld. De waarheid is
gefrotteerd, dat niet alleen. Het reliëf
zelf is oppervlakkig. Alles is slechts schijn.
Is de waarheid dan zaligmakend of krijgt
de leugen een plek? Ik wil het geloven.
In mijn ronde langs de tijd is het niet van
belang of die waarheid een leugen is of
niet. Het podium en het verhaal worden
bijgelicht. Het drafpaard wordt losgemaakt van
de koets en wordt net als de koetsier geëerd.
Een naburig plein vervalt in herhaling.
Ik kijk naar de lucht. Hoeveel tellen zijn er
nu al niet voorbij gevlogen? Of is dat
maar een farce? Het moet niet meer dan een dag zijn
geweest. Ik kan het merken aan mijn kleren.
De euforie kan weer geladen worden.
Geluk blijft niet op het voorhoofd geplakt. Het
herhaalt zich. Ik ben gewoon thuis gebleven.

Harderwijk, 1 augustus 2020

De tekst ‘Hoeveel overwinningen heb ik gedroomd/in mijn zegetocht die niemand zag? Ik draag/elke nederlaag als overwinningsvlag…’ in de zesde strofe is geïnspireerd op een tekst ‘…Ik draag het besef van mijn nederlaag als overwinningsvaandel…’ in ‘Het Boek der Rusteloosheid’ van Fernando Pessoa uitgave Privé Domein van de Arbeiderspers, bladzijde 65.